Nieuwe zzp-wetgeving: wat de Zelfstandigenwet betekent voor werkgevers
Nieuwe zzp-wetgeving: wat de Zelfstandigenwet betekent voor werkgevers
Met de Wet VBAR en de Zelfstandigenwet liggen twee wetsvoorstellen op tafel die de beoordeling van zzp-relaties ingrijpend kunnen veranderen. De Wet VBAR is op 7 juli 2025 formeel ingediend bij de Tweede Kamer en ligt daar ter behandeling. Daarnaast is er de Zelfstandigenwet, een initiatiefvoorstel dat nog niet formeel is ingediend maar politiek nadrukkelijk op tafel ligt.
In het coalitieakkoord Aan de slag heeft kabinet-Jetten aangekondigd het toetsingskader uit de VBAR te willen schrappen en te vervangen door de Zelfstandigenwet, en alleen het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief te behouden. In dit artikel zetten we de laatste stand van zaken uiteen: wat nu geldt, welke richting de wetgeving opgaat en wat dat voor werkgevers betekent.
In dit artikel:
- Hoe arbeidsrelaties nu worden beoordeeld
- Twee wetsvoorstellen, twee uitgangspunten
- De Wet VBAR: welk wetsvoorstel ligt er bij de Tweede Kamer?
- Wat het coalitieakkoord beoogt
- De Zelfstandigenwet: ondernemerschap als vertrekpunt
- Het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief
- Veelgestelde vragen
- Welke wet wordt het uiteindelijk?
- Wanneer treedt de nieuwe wetgeving in werking?
- Kan ik mijn huidige zzp-contracten laten doorlopen tot de nieuwe wetgeving in werking treedt?
- Wat betekent het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief voor werkgevers?
- Kan ik straks vooraf zekerheid krijgen over de status van de arbeidsrelatie?
- Wat betekent dit voor uw huidige zzp-relaties?
Hoe arbeidsrelaties nu worden beoordeeld
De beoordeling van arbeidsrelaties is momenteel gebaseerd op de wettelijke definitie van de arbeidsovereenkomst (arbeid, loon en gezag) en op de criteria die de Hoge Raad heeft uitgewerkt in onder meer het Deliveroo– en Uber-arrest. In de praktijk vindt die beoordeling plaats binnen het kader van de Wet DBA en is zij afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang. Er bestaat geen vaste formule en geen enkel criterium is op zichzelf doorslaggevend.
Wilt u inzicht in hoe dit beoordelingskader in de praktijk wordt toegepast en welke factoren daarbij een rol spelen, dan leest u
Schijnzelfstandigheid voorkomen: criteria en stappenplan voor werkgevers.
Een breder overzicht van de geldende regels, risico’s en het toezichtskader in 2026 vindt u in
Schijnzelfstandigheid in 2026: de regels, risico’s en handhaving voor werkgevers.
Wilt u specifiek weten hoe een controle door de Belastingdienst verloopt en wat u daarbij kunt verwachten, dan leest u meer in
Controle op zzp-relaties: hoe de Belastingdienst in 2026 handhaaft.
Twee wetsvoorstellen, twee uitgangspunten
Beide wetsvoorstellen beogen meer duidelijkheid te brengen in die beoordeling. Zij doen dat echter vanuit verschillende uitgangspunten, met name waar het gaat om het vertrekpunt van de toetsing en de rol van de bedoeling van partijen.
- Wet VBAR: stelt primair de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het voorstel weegt kenmerken van werknemerschap af tegen kenmerken van zelfstandigheid en sluit daarmee aan bij de huidige jurisprudentie. De bedoeling van partijen speelt daarbij geen zelfstandige rol.
- Zelfstandigenwet: kiest juist een ander vertrekpunt en stelt de vraag of de werkende kan worden aangemerkt als zelfstandige ondernemer. Daarbij staat het ondernemerschap van de werkende centraal. Anders dan onder de Wet VBAR wordt in dit voorstel ook de bedoeling van partijen expliciet betrokken bij de beoordeling.
Dit verschil is niet alleen juridisch van aard. Het heeft praktische consequenties voor de wijze waarop arbeidsrelaties worden beoordeeld, voor de mate waarin vooraf zekerheid kan worden verkregen en voor de vraag hoe het wettelijk kader zich verhoudt tot de bestaande lijn in de jurisprudentie.
De Wet VBAR: welk wetsvoorstel ligt er bij de Tweede Kamer?
De Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) is op 7 juli 2025 ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel ligt daar nog ter behandeling, maar de politieke context is inmiddels veranderd: het nieuwe kabinet-Jetten heeft in het coalitieakkoord aangekondigd het toetsingskader uit de VBAR te willen vervangen door de Zelfstandigenwet. Of en in welke vorm de VBAR wordt behandeld, is daarmee onzeker.
De VBAR codificeert bestaande rechtspraak en structureert de beoordeling aan de hand van twee hoofdelementen: enerzijds werkinhoudelijke en organisatorische sturing (indicaties van werknemerschap), anderzijds werken voor eigen rekening en risico (indicaties van zelfstandigheid). Beide elementen worden in samenhang gewogen. Er is geen puntentelling en geen vaste volgorde. Daarmee verandert de systematiek inhoudelijk niet wezenlijk ten opzichte van de huidige beoordeling. De bedoeling van partijen speelt geen zelfstandige rol.
Daarnaast introduceert de Wet VBAR een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een laag uurtarief (zie hieronder). Overgangsrecht is niet voorzien: bij inwerkingtreding zou de wet direct van toepassing zijn op alle lopende en nieuwe arbeidsrelaties.
Zoals hieronder toegelicht, heeft het kabinet in het coalitieakkoord aangekondigd het toetsingskader uit de VBAR te willen vervangen door de Zelfstandigenwet en alleen het rechtsvermoeden te behouden.
Wat het coalitieakkoord beoogt
In het coalitieakkoord Aan de slag (30 januari 2026) heeft kabinet-Jetten aangekondigd de Zelfstandigenwet zo snel mogelijk te willen invoeren. Dat betekent dat het verduidelijkingsdeel, het toetsingskader met de twee hoofdelementen, zou worden geschrapt en vervangen door de Zelfstandigenwet. Wel blijft het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief uit de VBAR behouden.
De beoogde invoering is gefaseerd:
- Eerste fase: invoering van het rechtsvermoeden van werknemerschap (uit de VBAR), samen met de sectorale rechtsvermoedens en de toetsingscommissie uit de Zelfstandigenwet.
- Tweede fase: invoering van de overige onderdelen van de Zelfstandigenwet, zo snel mogelijk.
Een concreet tijdpad met data is nog niet bekend.
Let op: dit zijn voornemens. Kabinet-Jetten is een minderheidskabinet (D66, VVD, CDA). Voor deze wetgeving is steun van oppositiepartijen vereist. De Wet VBAR ligt formeel bij de Tweede Kamer en de Zelfstandigenwet is nog niet ingediend. Hoe het wetgevingstraject er uiteindelijk uitziet, en of de koers uit het coalitieakkoord daadwerkelijk wordt gevolgd, is op dit moment dus nog onzeker.
De Zelfstandigenwet: ondernemerschap als vertrekpunt
De Zelfstandigenwet is een initiatiefvoorstel van VVD, D66, CDA en SGP en kiest een fundamenteel andere benadering. Niet het gezagscriterium, maar het ondernemerschap van de werkende vormt het vertrekpunt.
Het voorstel werkt met drie cumulatieve toetsen:
1. De zelfstandigentoets
Deze toets beoordeelt of iemand daadwerkelijk zelfstandig ondernemer is. Relevante elementen zijn:
- Staat de werkende ingeschreven bij de Kamer van Koophandel?
- Heeft de werkende een btw-nummer?
- Gedraagt de werkende zich in het economisch verkeer als ondernemer: investeert hij in bedrijfsmiddelen, bedient hij meerdere opdrachtgevers?
2. De werkrelatietoets
Deze toets beoordeelt of de specifieke werkrelatie kenmerken van zelfstandigheid vertoont:
- Heeft de werkende vrijheid om te bepalen wanneer en hoe het werk wordt uitgevoerd?
- Is er afwezigheid van hiërarchische controle?
- Hebben partijen de bedoeling om buiten dienstverband te werken?
Opvallend is dat de partijbedoeling in dit voorstel een relevante factor is. Dat wijkt af van recente jurisprudentie, waarin de Hoge Raad juist minder gewicht toekent aan wat partijen hebben beoogd.
3. Het sectorale rechtsvermoeden
De derde toets betreft een sectorgebonden rechtsvermoeden. In sectoren waar het risico op schijnzelfstandigheid verhoogd is, kunnen aanvullende of strengere criteria gelden. Daarmee wordt erkend dat sommige sectoren structureel kwetsbaarder zijn voor onjuiste kwalificatie van arbeidsrelaties.
Vooraf zekerheid via een beoordelingscommissie
Een belangrijk verschil met de Wet VBAR is dat de Zelfstandigenwet voorziet in de oprichting van een Commissie Beoordeling Toetsingskader Zelfstandigenwet, gemodelleerd naar het Belgische voorbeeld.
Werkenden, opdrachtgevers en toezichthouders kunnen deze commissie verzoeken om een oordeel over de kwalificatie van een arbeidsrelatie. Dat kan zowel voorafgaand aan de samenwerking als tijdens de uitvoering, tot maximaal één jaar na aanvang. Het oordeel van de commissie is bindend: handhavende instanties zoals de Belastingdienst en het UWV moeten dit volgen.
Dit verschilt wezenlijk van de huidige praktijk. Vooroverleg met de Belastingdienst biedt nu slechts voorwaardelijke zekerheid, die vervalt zodra de feitelijke uitvoering afwijkt van de beschrijving. De beoordelingscommissie beoogt juist vooraf rechtszekerheid te bieden.
Verplichte voorzieningen voor zelfstandigen
Daarnaast introduceert de Zelfstandigenwet verplichte voorzieningen voor zelfstandigen op het gebied van arbeidsongeschiktheid en pensioen. De wet laat daarbij ruimte voor eigen invulling. Voorzieningen kunnen worden getroffen via bijvoorbeeld:
- een private verzekering;
- pensioensparen of een lijfrente;
- aantoonbaar eigen vermogen als financieel vangnet.
De nadruk ligt op keuzevrijheid, mits de voorziening voldoende bescherming biedt.
Status van de Zelfstandigenwet
De Zelfstandigenwet heeft van 26 mei tot en met 24 juni 2025 ter internetconsultatie gelegen. Het voorstel is nog niet formeel ingediend bij de Tweede Kamer.
In december 2025 is het voorstel door D66 en CDA opnieuw onder de aandacht gebracht in het kader van de kabinetsformatie. In het coalitieakkoord wordt er voor de verduidelijking van de arbeidsrelatie vooralsnog gekozen voor de Zelfstandigenwet, en voor het rechtsvermoeden op basis van het minimale uurtarief voor de Wet VBAR. De verdere parlementaire behandeling van de Zelfstandigenwet is op dit moment nog onzeker.
Het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief
Het rechtsvermoeden is het onderdeel waarover brede politieke overeenstemming bestaat. Zowel in de Wet VBAR als in de Zelfstandigenwet wordt dit instrument onderschreven als aanvullend beschermingsmechanisme voor werkenden met een beperkte onderhandelingspositie.
De kern van het rechtsvermoeden is dat bij een uurtarief onder een wettelijk vastgestelde grens vermoed wordt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit leidt tot een verschuiving van de bewijslast: niet de werkende, maar de opdrachtgever moet aannemelijk maken dat ondanks het lage tarief geen sprake is van een dienstverband.
In het wetsvoorstel VBAR is deze tariefgrens vastgesteld op € 36 per uur (peildatum 1 januari 2025), met jaarlijkse indexatie. De exacte grens en de wijze van indexering kunnen in het verdere wetgevingstraject nog worden aangepast.
Het rechtsvermoeden vervangt de inhoudelijke beoordeling niet. Ook bij toepassing van het rechtsvermoeden blijft beslissend of de arbeidsrelatie, gelet op alle feiten en omstandigheden, kwalificeert als zelfstandige arbeid of als arbeid in dienst van een ander. Een uurtarief boven de grens biedt daarom geen vrijwaring.
Let op: handhaving wacht niet op nieuwe wetgeving
Ongeacht de voortgang van deze wetsvoorstellen handhaaft de Belastingdienst nu al op basis van het bestaande recht. Het handhavingsmoratorium is per 1 januari 2025 opgeheven. Dat betekent dat de Belastingdienst sindsdien naheffingen loonbelasting en premies kan opleggen.
Houd er rekening mee dat handhaving niet wacht op deze wetgeving. De Belastingdienst beoordeelt arbeidsrelaties nu al op basis van het bestaande recht. Hoe dat toezicht in 2026 is ingericht, is uitgewerkt in
Schijnzelfstandigheid in 2026: de regels, risico’s en handhaving voor werkgevers.
Veelgestelde vragen
Welke wet wordt het uiteindelijk?
Dat is op dit moment niet te zeggen. Wel is in het coalitieakkoord een duidelijke richting gekozen. Voor de verduidelijking van de beoordeling van arbeidsrelaties wordt aangesloten bij de Zelfstandigenwet, waarin het ondernemerschap van de werkende het uitgangspunt vormt. Het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst bij een laag uurtarief wordt overgenomen uit de Wet VBAR.
De Wet VBAR is als kabinetsvoorstel formeel ingediend bij de Tweede Kamer. De Zelfstandigenwet is een uitgewerkt initiatiefvoorstel dat nog niet formeel is ingediend, maar wel nadrukkelijk wordt betrokken bij de verdere politieke besluitvorming. De uiteindelijke wetgeving zal daarom naar verwachting een combinatie zijn van beide voorstellen, waarbij de precieze uitwerking nog afhankelijk is van de parlementaire behandeling en nadere regelgeving.
Wanneer treedt de nieuwe wetgeving in werking?
Voor de Wet VBAR wordt momenteel uitgegaan van een beoogde inwerkingtreding per 1 juli 2026, maar het is onwaarschijnlijk dat deze datum wordt gehaald. Bovendien is onzeker in welke vorm de wet uiteindelijk zal worden ingevoerd. Uit het coalitieakkoord volgt dat het kabinet voor de inhoudelijke verduidelijking van arbeidsrelaties wil aansluiten bij de Zelfstandigenwet, terwijl het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst bij een minimaal uurtarief wordt overgenomen uit de Wet VBAR.
De Zelfstandigenwet is echter nog niet formeel ingediend bij de Tweede Kamer. Dat betekent dat er op dit moment geen vaststaand tijdpad bestaat voor de invoering van het nieuwe toetsingskader. Het coalitieakkoord spreekt wel over een gefaseerde invoering, maar concrete data en overgangsregimes zijn nog niet bekend.
Tot die tijd blijven arbeidsrelaties worden beoordeeld op basis van het huidige recht en de bestaande jurisprudentie, en vindt handhaving plaats volgens het geldende toezichtskader.
Kan ik mijn huidige zzp-contracten laten doorlopen tot de nieuwe wetgeving in werking treedt?
Nee, dat is niet verstandig. De Belastingdienst wacht niet met handhaven tot de nieuwe wetgeving in werking treedt. Uw huidige zzp-relaties worden beoordeeld aan de hand van de criteria die nu gelden, niet op basis van wetgeving die nog moet worden aangenomen.
Wilt u inzicht krijgen in hoe die beoordeling in de praktijk plaatsvindt en welke signalen daarbij een rol spelen? Lees dan:
Schijnzelfstandigheid voorkomen: criteria en stappenplan voor werkgevers.
Wat betekent het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief voor werkgevers?
Het rechtsvermoeden betekent dat, als u werkt met zzp’ers tegen een uurtarief onder de wettelijke grens, er wettelijk wordt vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. In dat geval verschuift de bewijslast naar u als opdrachtgever om aan te tonen dat de werkende daadwerkelijk als zelfstandige opereert.
Belangrijk is dat een hoger uurtarief geen zekerheid biedt. Ook dan blijft de arbeidsrelatie onderworpen aan de gebruikelijke integrale beoordeling op basis van alle feiten en omstandigheden.
Voor werkgevers betekent dit dat met name bij lage tarieven en structurele inzet extra aandacht nodig is voor de inrichting en uitvoering van de arbeidsrelatie.
Kan ik straks vooraf zekerheid krijgen over de status van de arbeidsrelatie?
Onder de Zelfstandigenwet wordt voorzien in de mogelijkheid om vooraf zekerheid te verkrijgen via een beoordelingscommissie die bindende oordelen kan geven over de kwalificatie van een arbeidsrelatie. Volgens het coalitieakkoord behoort dit onderdeel tot de eerste fase van de beoogde invoering.
Onder het huidige recht is zekerheid vooraf beperkt tot vooroverleg met de Belastingdienst. Dit biedt slechts voorwaardelijke zekerheid, die vervalt zodra de feitelijke uitvoering afwijkt van de voorgelegde situatie.
Ook onder de Wet VBAR blijft de mogelijkheid van voorafgaande zekerheid beperkt; het voorstel voorziet niet in een bindend oordeel vooraf.
Welke wetgeving uiteindelijk wordt ingevoerd en in welke vorm, is op dit moment nog niet definitief vastgesteld. De verdere parlementaire behandeling en nadere uitwerking zullen bepalend zijn voor de vraag of en wanneer deze vorm van voorafgaande zekerheid daadwerkelijk beschikbaar komt.
Wat betekent dit voor uw huidige zzp-relaties?
Welke wet uiteindelijk wordt aangenomen en in welke vorm, is op dit moment nog onzeker. Wat wél vaststaat, is dat uw huidige zzp-relaties nu al worden beoordeeld op basis van het bestaande recht en de geldende jurisprudentie, en dat de Belastingdienst actief controleert.
De houdbaarheid van uw huidige keuzes hangt daarom niet af van toekomstige wetgeving, maar van de manier waarop arbeidsrelaties vandaag zijn ingericht en feitelijk worden uitgevoerd. Dat betekent dat relaties die onder het huidige toetsingskader juridisch verdedigbaar zijn, ook onder de nieuwe wetgeving een sterkere uitgangspositie hebben. Dat biedt geen garantie, maar verkleint wel het risico aanzienlijk.
Het praktische advies is daarom om uw huidige zzp-relaties nu al te laten beoordelen. Niet om vooruit te lopen op onzekere wetgeving, maar om vast te stellen of zij onder het huidige recht standhouden. Daarmee bent u beter voorbereid op zowel handhaving nu als eventuele wijzigingen straks.
Twijfelt u over de kwalificatie van (een deel van) uw zzp-relaties of wilt u weten hoe u zich kunt voorbereiden op de komst van nieuwe zzp-wetgeving? Neem dan contact met onze arbeidsrechtspecialisten of bekijk de mogelijkheden van een training.

